| |
 |
 de meer d3 wint toernooi
Sport/Voetbal | korte verhalen
|
15 Juli 2010 | 23:29:43
 |
De Meer D3 wint WV HEDW toernooi
De mannen van de meer D3 zijn er in geslaagd om het jongste toernooi op hun naam te schrijven. Het gebeurde op zaterdag 29 mei bij schitterend weer in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Het team was voor deze bijzondere gelegenheid aangevuld met wat gastspelers maar de trouwe kern vormde de hoofdmoot. Aan de zijlijn van het veld werd nog snel even de tactiek doorgenomen voor de wedstrijd. Aangezien de coaches allebei verhinderd waren lieten we de spelers zelf op de achterkant van het toernooischema de opstelling maken.

De eerste wedstrijd was een walk over. Met maar liefst 8-1 werd Geuzen Middenmeer d5 verslagen. Daarna werden er in de kantine wat versnaperingen gebruikt. De tweede wedstrijd was tegen het gastteam op het hoofdveld naast de kantine. De spanning was om te snijden. Er werden flink wat kansen aan de tegenstander weggegeven maar die slaagden er niet in om te scoren. Vlak voor tijd lukte dat ons team wel. Noa passeerde de keeper. Toen bleef er nog slechts een wedstrijd over. Het altijd gemotiveerde Diemen D6. Weer op kunstgras werd dit een ware kraker. Ook hier vielen heel wat kansen maar de stand bleef op 0-0. De talloze doelpunten uit de eerste wedstrijd gaven in de eindklassering uiteindelijk de doorslag. Onder luid gejuich werd de beker aan onze helden overhandigd. Bravo mannen.
|
|
|
 |
 |
 daan en david geven feest
Jarig | korte verhalen
|
24 April 2010 | 18:24:26
 |
Daan en David vieren verjaardag 9 april 2010
Met zijn allen op de foto voor de aftrap
De verjaardag werd gevierd met een kort voetbaltoernooi en een bijeenkomst in de kantine van fortius. Gelukkig was het bijzonder goed weer op deze vrijdag. De opkomst van de klasgenoten en vrienden was bijzonder groot. Het voetbaltoernooi was spannend en de uitslag lag dicht bij elkaar. toen iedereen moe maar voldaan uitgevoetbald was volgde een gezamenlijke patat en kroket maaltijd in de kantine. Toen was het tijd voor de verrassing van de avond. het optreden van de rappers Midogeloos. De jarige Daan en David werden daarbij nog even in het zonnetje gezet. Daarna werd de polonaise ingezet op een van de zelf meegenomen nummers. De achtergebleven microfoons boden de gelegenheid om nog wat te oefenen voor toekomstige muzikanten. Ook werd er gejongleerd met een bal waarbij de balvaardigheid van een aantal spelers opviel. Sommigen krijgen nooit genoeg van het edele voetbalspel. De muziek daverde lekker door. De polonaise werd voortgezet dwars over het hoofdveld heen. Daarna was er nog een verrassing: de stoelendans. Ook dit was weer dolle pret. Het vrije dansen jongleren met de bal en uitproberen van de microfoon besloot de gezellige avond. Nu maar weer wachten op de volgende feestavond.

Pauze met limonade
David en Daan en Mido in de eerste song |
|
|
 |
 marianne wordt 50
Amsterdam | korte verhalen
|
25 Januari 2007 | 22:36:10
 |
marianne wordt 50
Marianne soleert in Paradise by the dashboardlight
Mijn liefje werd deze maand 50 jaren. Ze wilde het niet onopgemerkt voorbij laten gaan dus werd er een flink feest gehouden in botenhuis Roei- en Zeil Vereniging DE AMSTEL
in chique Amsterdam zuid. Leuke sfeer, leuke gasten, uitstekende bediening, lekkere hapjes maar bovenal een zeer goede band. Jan pak de leuning. Deze Sliedrechtse driemanformatie (http://www.janpakdeleuning.nl/) is in ons Amsterdam tot op heden totaal onbekend maar daar gaat zeker verandering in komen. De Jannen spelen uitstekende muziek en passen het repertoire ter plekke aan aan de lokale voorkeuren. Zo hoorden we een snelle change naar ‘Hello Josephine’ toen een gaste met die naam binnenkwam en luidruchtig begroet werd. Hoogtepunt waren de liedjes en voordrachtjes die ter ere van de jarige gehouden werden. Het ‘50 rode rozen’ en ‘heb je even voor mij’ werden door het publiek en de jarige goed ontvangen. Marianne zong nog even mee met Rob in het duet paradise by the dashboardlight. Oude herinneringen aan een gezamenlijk uitje werden daarbij door Marion opgehaald. De gasten uit Veenendaal fungeerden als achtergrondkoortje in deze evergreen. De feestballon die de hele avond midden in de zaal zweefde werd aan het einde van de avond plechtig opgelaten op het terras van de roeivereniging. Hij/zij spoedde zich in de daverende wind oostwaarts. Naar Duitsland of wie weet nog wel verder oostwaarts. Het eraan vastgemaakte kaartje “wij waren op het feest van Marianne wordt 50” heeft tot op heden nog niet tot een reactie geleid op het feest Emailadres maar we blijven hopen. Naar verluidt heeft de docentendelegatie zich tot in de kleine uurtjes vermaakt in een cafeetje in de buurt. We togen huiswaarts vol leuke indrukken.
Henny in 'heb je even voor mij'
Chapeau voor jan pakt de leuning voor wat betreft de virtuoze begeleiding in -heb je even voor mij-. Ik kwam er te laat achter dat het refrein 6 regels bevat in plaats van 4 dus er moest ter plaatse heftig geïmproviseerd worden maar met Rob de zangjan aan mijn zijde was dat op het laatst een feest. Ook het debuut van Daan Als de nacht verdwijnt mocht er zijn en is nu zelfs op video te zien en te horen (maar niet op deze trage site).
Daan zingt als de nacht verdwijnt
Dank aan alle leuke gasten die er waren en de heerlijke gezelligheid, het vele swingen en de polonaise die er bij hoort. Vooral dit laatste werd zeer gewaardeerd door Marianne. Jammer dat het allemaal al weer achter de rug is. Zo’n feestje geeft nieuwe energie vooral de dag erna ondanks de drinks. Ook de met paars velours omgeven ‘herinnert u zich deze nog’ fotocollectie uit het leven van Marianne was prachtig. Evenals de taartjes met kaars die bij het binnenkomen werden aangeboden door Joost en Daan. Sommigen gasten volgden de suggestie op en zongen op Mariannes verjaardag. Een enkeling ging zelfs nog een tweede petitfoursje halen. Alleen het pick-up project viel in het water mede door een wat metalig en zacht klinkende versterker die niet erg boven het geroezemoes uitkwam. En het feit dat microfoon en pick-up zo ver van elkaar vandaan stonden deed er ook geen goed aan. Daardoor kwam Marianne’s leuke ideetje om eenieders muzikale herinnering te laten weerklinken niet bijster uit de verf. Helaas, helaas. Maar voor de rest was het leuker dan leuk.
|
|
|
 |
 Art Garfunkel in Amsterdam
Muziek | Art Garfunkel
|
21 Juni 2006 | 00:25:37
 |
Art Garfunkel in Amsterdam zaterdag 17 juni '06

Maf theater is deze Heineken Music Hall eigenlijk. Nooit eerder geweest. Het lijkt wel een kerk. Zwart en donker. Het podium lijkt wel een altaar en de achterhang doet denken aan de St Jozef kerk in Bussum. Overal dezelfde stoeltjes en twee metalen balkonnetjes. Er is achteraan een zwart gordijn opgehangen dat de ruimte kleiner moet maken maar het oogt log en ongezellig. De zanger wordt aangemoedigd (“Come on Artie”) en komt iets na achten op. Vreemd begin. Een Paul Simon song van een Simon solo-elpee. “American Tune”. Het concert wordt een hommage aan zijn vroegere muziekpartner. Slechts “All I know” en de twee hitsingles ontspringen de dans. Een mooi liedje van Randy Newman, een eigen compositie en een jazzy nummer van de volgende cd. De toegift wordt ingeleid met een jeugdherinnering. Pas op het einde komt de dialoog met het publiek wat op gang. “Vroeger toen ik huiswerk maakte luisterde ik altijd naar de radio. (“Must be a long time ago, Art”). Dit liedje speelde de diskjockey altijd als laatste op de avond. 'Good night to you all'. Hij zingt het rustig en stemmig. Hiermee is het concert ten einde. Gelukkig stonden er mensen vlakbij het podium die met de muziek meeklappen en meeswingen. zo durven wij ook naar voren te gaan. Sensatie als ik mijn grote jeugdidool op slechts een paar meter afstand voor me zie zingen. Amerikaanse muzikanten hebben vaak moeite met de passieve ietwat ingetogen luisterhouding van het Nederlandse publiek. Zitten op die stoeltjes draagt ook niet erg bij aan enthousiast meedoen. Garfunkel reageert erop door halverwege het concert na zo'n handmeeklap nummer te zeggen “You were a great help to me”. Ik trommel met iemand naast me op het houten podium als het slotakkoord verstomt in de hoop dat de muzikanten zullen terugkeren. Maar helaas het zit er op.
Gelukkig zijn de tussenpraatjes en de uitgevoerde muziek van hoog niveau. “Before coming up on stage (putting on the hair-piece), I was wondering what I should say to the Amsterdam audience. I cannot apologize for George Bush again. I like to sing a song about my town”. Het tweede nummer de evergreen ‘Homeward Bound’ wordt voorzien van een kleine aanpassing. “Tonight I sing his songs again” gevolgd door “and all his words come back to me”.De anekdote over de split-up met Simon en de verbazing hierover na een zeer geslaagde old friends tournee wordt afgedaan met de onzindiscussie over een regeltje in Mrs Robinson. 'Ik stelde voor dat we de zin “Jesus loved you more than you will know wowowow” zouden veranderen in “Jesus loved you more than you ever knew wewewweew” wat Simon rigoureus weigerde. Leuk intermezzo. De pianist krijgt een hand na de vertolking van Bridge over Troubled Water waarbij Art de hoge eindtonen haalt. Intro gesprekje over het liefste liefdesliedje dat 'we altijd zongen in de tijd dat we nog Groot Brittannie afstruinden en niet wisten waar we aan het einde van de avond zouden slapen' wordt onderbroken door een dame uit de zaal die op luide toon de naam van het liedje aangeeft: “Kathy’s song”. “You’ve got it”, geeft Art zich maar gewonnen. Later verontschuldigt de dame in kwestie zich in het gastenboek van de site (http://www.artgarfunkel.com). Veel dank en huldebetuigingen in dit gastenboek. De mensen stappen gemakkelijk over het Simon repertoire heen. Op het einde van de avond komt zijn zoon James nog even in de Cecilia song en zingt daarna een aloude protestsong. Liever had ik wat meer songs van Art's soloelpees gehoord. Beauties in overvloed:
- Crying in my sleep
- The same old tears on a new background
- So Easy to begin
- All my laugh's laughter
- Down in the willow garden
- So much in love
- What a wonderful world
- Break away
Wel uitgevoerd:
- American Tune
- Homeward Bound
- A Heart in New York
- All I Know (mijn persoonlijke favoriet)
- Scarborough Fair
- Someone to watch over me
- The Boxer
- For Emily whenever I may find her
- Perfect moment
- Real emotional girl (Randy Newman)
- ~
- El Condor Pasa
- And so it goes (Billy Joel)
- Bright Eyes ("was a hit in every country except mine")
- Kathy's Song ("Paul's most beautiful love song to this day")
- Mrs Robinson
- Bridge over Troubled Water
- Cecilia (with James)
- On the Side of the Hill (James Garfunkel)
- Sound of silence
- Good night my love
Nagekomen bericht: gelezen op de website van twee fans die met de concerten meereizen en ook in de kleedkamer waren na afloop. Art was ziek en moest eigenlijk naar de dokter maar kon hier niet wegblijven. Dus nam hij een medicijn en acteerde dat ie fris en gezond was. Het medicijn veroorzaakte tijdens het concert hartkloppingen en extra trillingen in zijn stem. Vandaar wellicht de weinige toegiften. De song "Perfect Moment" was een wereld primeur. Bij de toegift "Good night my love" eindigde Garfunkel met de aanpassing "Goodnight my loves" and ended with an embracing gesture and a twinkling in the eye.
|
|
|
 |
 St Jozefschool
Taal/Column | St Jozefschool
|
07 Juni 2006 | 21:08:21
 |
St Jozefschool
Klas zes. Hoofdzakelijk landerig in de schoolbanken gezeten. De lesstof was wel aardig maar het buitengebeuren was vaak net iets leuker. Ik zat aan het raam en had een goed uitzicht op het langskomende verkeer. Meneer Baaij deed wel zijn best maar het was allemaal wat droog en taai. Bovendien blonk ik in de meeste vakken uit en lag mijlen voor in de doe het zelf vakken. Boeiender waren de misdiensten in de Jozefkerk iets verderop. Omdat ik een van de besten in de klas was, werd ik vaak aangewezen om de misdienaarrol daar te vertolken. Huwelijksdiensten of uitvaarten. Het laatste was spectaculairder want als extraatje mocht ik dan in één van de volgauto’s mee naar het kerkhof waar een ritueel werd gehouden met water en wierook. Spannend gevoel om in die lange zwarte kleren de auto in te stappen en met het op een hoge stok vastgebonden kruisbeeld voor de stoet uit te lopen. Voorafgaand aan de vroege misdiensten stond ik al voor dag en dauw in de sacristie omdat er maar één maat toog was die precies paste (maat 5). Het mooiste was om in dit gewaad de klok te luiden. De klokkenstoel stond een stukje buiten de kerk opgesteld maar werd bediend met een touw dat door een opening in de muur vanuit de kerk zelf moest worden aangetrokken. Een handeling waarbij ik vaak een stuk de hoogte in werd getrokken.
Het jaarlijkse misdienaars uitstapje voerde naar de Efteling. In de bus zat ik naast kapelaan lefeber. Vanwege de hitte deed hij zijn priesterboord met eraan vastgemaakt frontje af. Hij wist niet zo snel waar hij dit ding moest laten en voor ik er erg in had zat het in mijn schooltas. ’s Avonds thuis vroeg mijn moeder verbaasd wat dit voor kledingstuk was. Natuurlijk gaf ik het niet meteen terug. Avonden lang liep ik als een pseudo-priester rondjes in de voorkamer en zegende de meubels. Ik knielde voor het dressoir en consacreerde broodouwels en limonade. Uiteindelijk moest ik het wel terug gaan brengen. Maar mijn beroepskeuze was gemaakt.
De meest vitale meester was meester Brouwer die ik had in klas vier en vijf. Hij reed rond in een grote Amerikaanse chevrolet met vleugels aan de zijkanten. Ik mocht soms een stukje meerijden. Klas vijf zat in de dependance van het montessorischoolgebouw vlakbij waar nu station Bussum zuid is. We moesten altijd een stuk lopen over braakliggend veld. Heer Brouwer kon zeer boeiend vertellen. De ochtend na de dood van JF Kennedy volgde een uitgebreide les jongste Amerikaanse geschiedenis wat ik ademloos volgde.
.jpg)
Klas zes 1965 voor zover het geheugen strekt: staande van links naar rechts: Theo Krijnen, André Peer, Martrin Tetterode, Fred van der Voort, Hans Hilhorst (?), Kees Schilperoort, Arthur Korting, Jos Verweij, Luuk Hilhorst, Jan Metsers, Maarten Vrakking, Noud Schrojensteijn Lantman, Hans Stoelhorst, Hendrik Rigter, Wim Majoor, Henny Sturkenboom, Martien Bergman, Peter Paulusse, zittend van links naar rechts: Robbie de Ruiter, Chris Smeekes, Eddy Neijland, Robbie de Rue(?), Jan de Booij(?), Wil Diks, Nico Luntingan, Peter Post, Kees Bastiaanse, Kees van Eijden. Leerkrachten: derde van links heer Baay, vijfde van links: heer Brouwer, geheel lInks Meneer van Veen, speelde eenmaal per jaar de rol van Sinterklaas.
|
|
|
 |
 herinnering
Taal/Column | hageveld
|
10 Mei 2006 | 09:56:14
 |
1965-1966
Mijn eerste stappen op de grote oprijlaan zet ik als jongetje van 11 jaar. Samen met meneer pastoor en een schoolvriendje kom ik eens kijken hoe het op zo’n internaat en opleidingsinstituut voor priesters nou eigenlijk toegaat. De entree maakt een overweldigende indruk op mij. Een statueuze oprijlaan, een grote slotvijver, en dan die enorme hoofddeur waarboven in gulden letters de Latijnse woorden ‘Poort van de hemel’ staat. Ja ja. Binnen worden we opgevangen door een priester die in toog gehuld dienst heeft als surveillant. Een eersteklasser die vanwege zijn rooie neus door iedereen ‘whisky’ genoemd wordt, laat ons alle vertrekken en lokalen en velden zien. Groot en veel vind ik het. Toch trekt het me aan. Mijn eigen kamertje, al stelt het niet veel voor. Een hokje van 2 bij 2 meter afgesloten met een gordijn dat op elk willekeurig moment door iemand opengetrokken kan worden. Mijn eigen studeertafel en kast in de studeerzaal, mijn plaats aan tafel, en in de kapel, een vast dagrooster. Nadelen komen nauwelijks ter sprake die middag. Wat resteert zijn het enthousiaste gepraat van whisky en de bulderende lach van de dikbuikige priester die ons opwacht na afloop van de rondleiding (‘nou tot over een half jaar dan maar’). Voor mij is er geen aarzeling. Wim, mijn vriend, begint er bij nader inzien maar niet aan.
Ter voorbereiding moet mijn moeder in al mijn kleren en zakdoeken en lakens mijn naam borduren. In mijn bestek moeten mijn initialen worden gegraveerd. Maar uiteindelijk is de grote dag daar. Mijn ouders brengen me weg. Mijn zusje zit naast me op de achterbank van de kever. De stemming in de auto is bedrukt en gespannen. Mijn moeder frommelend aan een zakdoekje. Mijn vader in stilte turend over de weg. Ik zelf in gespannen afwachting. Voor het eerst in mijn leven ga ik weg van huis en naar het zich laat aanzien voorgoed. De auto draait de oprijlaan op. Het is een drukte van jewelste. Leerlingen die uitstappen vergezeld van familieleden. Een gezoek in het gebouw, kennismaken met leraren, installeren in de slaapzaal in dat hokje van twee bij twee dat nu voor een jaar mijn territorium zal zijn. Mijn moeder maakt het bed op. Morgen moet ik dat zelf doen. Opzoeken op de plattegrond waar mijn plaatsje is in de studiezaal, en daarna idem dito in die grote galmende eetzaal. Op welke tafel zal ik mijn servet neerleggen. Whisky zit aan dezelfde tafel, zie ik. Toch iets vertrouwds.
Dan het afscheid. Bij de grote voordeur. Nuchter zoals we bij ons in de familie nu eenmaal zijn. Natuurlijk ben ik ook bang voor wat er gaat komen, maar ook blij met het idee dat ik kan gaan worden wat ik zo graag wilde, een welzijnswerker in dienst van de mens en kerk. De eerste avond is onwennig. Het eerste bezoek aan de kapel, neerknielen tussen jongens die net als ik voor de eerste keer moederziel alleen slapen vannacht. Daarna op weg naar de slaapzaal. In gedachten verzonken tuur ik naar het plafond van de slaapzaal als de surveillant na een kwartier het licht uitdoet. Hier en daar hoor ik een onderdrukt gesnik. Een zachte troostende stem klinkt verderop. Hoe zal het thuis zijn. Ik ril, ik ben bang, ik kan de slaap niet vatten. Maar ik huil niet. Huilen heeft geen zin.
’s Ochtends na een ochtendgebed in de kapel volgt de eerste zitting in de studiezaal. Een beetje neuzen in de boeken die nog gekaft moeten worden. ¼ Voor 8 gaat er een bel. Naar de refter voor het ontbijt. Wat opvalt is die merkwaardige lichtval die uit de reusachtige ovalen glas-in-lood ramen komt. Alsof ik terug ben in vorige eeuwen. Ik zit aan het hoofdeinde van de tafel zodat ik steeds moet vragen om mij iets aan te reiken. Halverwege de tafel zitten twee tweedeklassers. Zij hebben de leiding aan tafel. De dominus en de theedominus. Ze verdelen het voedsel. Omdat ik de jongste ben word ik meteen gedold. Ik moet op kerstavond een redevoering houden. Ik geloof het meteen. Whisky is theedominus. Van onze eerste vertrouwelijke ontmoeting is nu weinig over. Als een belletje klinkt is iedereen op toverslag stil en wordt er uit vele kelen gebeden. Dan volgt er ‘wel moge het u bekomen’. Whisky schenkt thee in de hem aangereikte koppen. Daarna worden de plakken kaas verdeeld. En het overige voedsel, alles in 8 gelijke porties. De rest van de dagindeling staat vast. Les, bedopmaken, les, middageten, pauze, les, pauze, studeren. Eten. Studeren, recreatie, avondgebed, en dan naar bed. Op zon- en feestdagen een aangepast programma zonder les maar wel met studie en natuurlijk veel vieringen in de kapel. Die eerste tijd loop ik er wat verloren rond.

Gymles 1C 1965. Vlnr Henny Sturkenboom, Hans Vestjens, Ton Lakeman, Dick Welsink, André Koet, (op de rug) Harry van de Rotte, Herman Albert Spierings, linksvoor stoeiend Peter de Nijs en Peter Krom
Gelukkig kom ik in een klein compact klasje terecht 1C. Iedere dag 6 lessen in een klein intiem lokaal. De grootste praatjesmaker zit vooraan in de klas, Wim Roozen. Een dikke jongen die vanwege zijn postuur Betsy wordt genoemd naar de stripverhalen van Billy Turf. In de eerste aardrijkskundeles die wordt gegeven in een apart lokaal dat gezellig bedompt en muf ruikt, dolt hij de oude aardrijkskundeleraar die luistert naar de naam Pam Haanappel. Bij een gekke opmerking van de oude man, stormt Betsy de bank uit, pakt een stofdoek en legt die om de hals van de broze man en zet een quasi verwurging in. De man komt na enige tijd met de schrik vrij. Willem gaat weer zitten, en de les wordt hervat. Een week later volgt echter de mededeling dat Pam is overleden en dat de lessen zullen worden voortgezet door een andere docent. Zou het een met het ander te maken hebben gehad. We genieten wiskunde van een man die voor de eerste keer les geeft en die vanwege zijn gebrek aan orde kunnen houden de naam ‘klets’ verwerft. Klets heeft als hobby geheimtalen. Op een keer nodigt hij ons uit om zelf een bericht in onze geheimtaal aan hem te schrijven dan zal hij proberen het te ontcijferen en beantwoorden. Achteraf gezien een meesterzet. De meesten schatten hem niet zo intelligent in en schrijven in hun geheimtaal precies wat ze van hem denken en kijken vreemd op als hij hun raadsels heeft opgelost en zelfs beantwoord. Gymnastiek wordt gegeven door een kleine fanatieke man die Ben Holleboom heet en beroemd is als conditietrainer van de Nederlandse schaatsploeg met Ard Schenk en Kees Verkerk. Hij wordt ‘arti’ genoemd. In zijn lessen die hij op drillerige manier geeft besteedt hij voornamelijk aandacht aan conditie (‘lopen’ ‘knurften’) en gymnastiek. Hij heeft een bloedhekel aan voetbal. Wel is hij idolaat van balspelen als kastie, basketbal en volleybal. Vooral kastiebal is favoriet. Soms legt hij het spel stil om aanwijzingen te geven, waarbij wij eerbiedig luisteren. Op een dag staat Peter de Nijs, die wij vanwege zijn ietwat slome manier van doen ‘Petra’ zijn gaan noemen in het buitenveld met de bal in de hand als ‘arti’ het spel stil legt om iets te verduidelijken. Petra heeft de wenk niet begrepen want hij gooit de bal alsnog naar de slagman, maar in plaats van daar te belanden komt de bal met een pisboog terecht op het kale hoofd van de gymnastiekleraar. Tragisch. Niemand durft te lachen. Hier en daar klinkt wat geproest maar het echte schaterlachen durven we pas als we terug zijn in de kleedkamer. Petra is de held van de dag. Een ander evenement is het douchen. Dit is voor elke klas apart in een tussenpauze ergens in de week. Voor 1C is het dinsdagochtend. Een onderwijzer doet op een teken de warmwaterkraan open en dan kan ik 5 minuten onder de straal gaan staan. Ook komt de man even controleren of ik me wel was en naar ik pas later begreep of ik niet bezig ben met masturberen. Dikke Jan Tol die in het douchehokje naast mij staat (we zijn op alfabet ingedeeld) komt de allereerste keer als ik al naakt onder de straal sta in zijn grote witte onderbroek vragen of ‘je nou echt al je kleren uit moet doen’. Mijn klas is gevuld met jongens uit alle delen van Noord-Holland. Er zijn Volendammers (‘voelendaaammers’), gooiers, haarlemmers en beverwijkers maar ook mensen uit de kop van Noord-Holland. Soms kun je elkaars taaltje niet verstaan. Een jongen spelt 55 als ‘voif en voiftig’. Iedereen wordt uitgenodigd uit het lerarenbestand een biechtvader te kiezen, die kan dienen om moeilijkheden mee te bespreken. Of gewoon voor wat aanspraak. Ik kies voor mijn franse leraar, de heer Braakman, een man die vanwege zijn nasale stemgeluid ‘knor’ genoemd wordt. Hij heeft iets rustgevends en knikt mij met zijn ogen goedmoedig toe. Al gauw word ik uitverkoren om een van zijn misdienaars te zijn. Van heer Braakman krijg ik mijn eerste seksuele voorlichting. Dit gebeurt op zijn kamer samen met een aantal klasgenoten. Hij vertelt met grote omhalen. Er heerst een wat gespannen sfeertje. Het begint er mee dat je je als jongen en ook als man soms wel eens wat opgewonden kan voelen omdat je zenuwachtig bent voor een proefwerk (‘voor Frans bijvoorbeeld’) en dat je dan wel eens merkt dat je geslachtsdeel groter wordt dan normaal. Daarna komt op plechtige manier het verband met de voortplanting aan de orde. Het geheel maakt op mij een wat theoretische indruk. Ik neem het als kennisgeving aan. Over erotische gevoelens wordt natuurlijk niet gerept, evenmin als over homoseksualiteit en masturbatie. Mijn eigen erotiek beperkt zich in die tijd tot fantasieën over natte zwemkleren en strak gedragen gymkleren. Wat ik er verder actief bij kan ondernemen zal ik pas jaren later leren.
1966
Die merkwaardige gewoonte om mensen bijnamen te geven. Ik word er soms gek van. Zo heet iemand die iets teveel stampei heeft gemaakt bij het oppompen van een fietsband voortaan ‘fietspomp’. Vooral leraren moeten het ontgelden. Zo kent men de namen ‘klets’,’schele’,’slurfdier’, ’huppel’, ’fabius’, ’augurk’, en zelfs ‘pis’ waar het veelal eerwaarde heren betreft. Een belangrijk fenomeen in het eerste jaar is de retraite. Een driedaagse periode van inkeer, bidden, bijbellezen en polijsten van mijn roeping. Wat mij ervan bij is gebleven zijn de afgezonderde bijeenkomsten in het leeszaaltje, de perioden op de dag dat ik niets mag zeggen, en de dagen die we extern doorbrengen elders in heemstede. Op het einde van de retraite heb ik een gesprek met de pater die de leiding heeft. Een van zijn vragen overrompelt mij volkomen. ‘Ben je gelukkig’, vraagt hij. Ik ben verbijsterd. Wat een vraag. Ik kan geen woord uitbrengen. Na lang nadenken en hevig blozen, kan ik slechts stamelen ‘tja wat is geluk’. Er volgt een verhandeling waarin de hand van god en kerk zichtbaar zijn. Ja, in dat opzicht wel. Ik voel me gelukkig dat ik als priester mensen en god zal mogen dienen, maar hoe of ik mezelf nu voel daar weet ik zo snel geen antwoord op. Wat een directheid. Het jaar bestaat uit vele (rooms-katholieke) feestdagen. Als zo’n feestdag op een doordeweekse dag valt, is er vrij maar geldt de dag als zondag. Deze dagen, die soms plotseling opduiken, worden met gejuich begroet. Voetbal is de meest populaire sport op school. Hele competities worden afgewerkt op het open veld achter het gebouw. Ook het theater neemt een belangrijke plaats in. Zeker eenmaal per jaar wordt er een avondvullende voorstelling gegeven.
1967
Tweede klas op hageveld. De tweedeklassers voelen zich superieur aan de eersteklassers. Die nieuwkomers moeten alles nog leren. Wij zitten in de eetzaal nu op de belangrijkste tafelposities. 1C wordt 2C. We krijgen Latijn van een in alle opzichten klassieke leerkracht, G Meershoek. Nog zie ik hem gaan door de gangen met zijn stereotiepe tred, door iedereen plasties aangeduid met ‘huppel’. In de derde klas geeft hij Grieks en is daar beroemd om zijn met overslaande stem gedeclameerde uitroep ‘qalassa’, ‘qalassa’ als de hoofdpersoon uit Xenophon’s Anabasis na vele omzwervingen uiteindelijk de zee bereikt met zijn leger. Soms moeten de manschappen uit dit verhaal de rivier oversteken en staan dan tot aan hun schaamdelen (ta aoida) in het water. Dit veroorzaakt bij mij levendige fantasieën. Hebben de hoofdpersonen uit deze aseksuele geschiedenis überhaupt seksuele gevoelens. En waar zijn de vrouwen in dit verhaal. Deze zaken worden uiteraard niet behandeld in de les. Huppel houdt iedere week proefwerk in 2C. Wie erin slaagt om voor zo’n proefwerk een tien (decem) te scoren, kan op zijn kamer een koetjesreep in ontvangst komen nemen, een begeerd object. Huppel heeft de gewoonte om tijdens proefwerken in de klas boven op de lessenaar die op een verhoging staat plaats te nemen in een liggende houding om vanuit deze positie toe te zien dat er niet gespiekt wordt. Fred die vooraan zit naast Hans Deen komt op een keer op het idee om de lessenaar op ‘scherp’ te zetten zodat leraar en tafel met donderend geraas naar beneden komen. Een plechtige stilte met wat onderdrukt geproest is het gevolg. Huppel is legendarisch op hageveld. ‘s Mans verende tred, de overslaande stem, het slanke postuur, de hoornen bril, dit alles maakt de man tot fenomeen. Nog indrukwekkender vind ik mijn leraar Nederlands, de heer Evers. Een lange rijzige man, die les geeft met veel gevoel. Hij kan zijn fascinatie voor literatuur moeiteloos op mij overdragen. Nog hoor ik hem voordragen uit Hildebrand’s Camera Obscura daarbij ieder personage een eigen stem gevend. Ook zegt hij regels op uit het gedicht van Paul Rodenko getiteld ’Het Beeld’. Met grote stappen loopt hij door de klas terwijl hij declameert met zijn volle stem “My ka my la my lullalong some baby”. Nooit eerder heeft literatuur zo’n levendige indruk op mij gemaakt. Een ander Heemsteeds fenomeen is de heer Rijsbergen, mijn nieuwe wiskundeleraar. Een kleine man die voortdurend zijn kin betast en in een razend tempo door de klas beent. Hij is streng en let goed op of iedereen de aandacht erbij houdt. Omdat hij voortdurend rondbanjert, is dit ook altijd het geval. Toch heeft hij ook iets menslievends in zich. Hij is fanatiek supporter van RCH en wordt ‘de pikker’ genoemd. Dit komt vanwege de zinsnede “pik er maar een uit” die hij tijdens de behandeling van de vierkantsvergelijking voortdurend bezigt, gevolgd door de opmerking “stop hem er maar eens in, dan zullen we zien wat eruit komt”. Dit leidt tot eindeloos herhaalde puberaal seksuele grappen in de tussenpauzes. Om het gevoel van saamhorigheid in de tweede klas te vergroten wordt tijdens een feest de klas voorzien van een wapen en een naam. Er wordt gekozen voor de naam ‘Durendal’.
Ter gelegenheid van het feest wordt een toneelstuk voorbereid wat een aantal van ons zullen spelen tijdens een ouderdag. Ik herinner me scherp hoe ik geconfronteerd word tijdens de repetities hiervan met mijn slechte verstaanbaarheid door de regisseur, een klein mannetje dat Duin heet. Ik speel de sjeik in een toneelstuk en moet op een troon zitten omgeven door een lijfwacht met ontbloot bovenlijf en ik hoef in het gehele stuk slechts een zin te zeggen ‘wat is hier aan de hand’. Tijdens de repetitie is dit onverstaanbaar gebleken en moet ik het net zo lang herhalen totdat het overal duidelijk hoorbaar is. Ik zie heer Duin nog steeds voor me de hand aan het geweldige oor geklemd steeds herhalend “wat zeg je, ik kan je niet verstaan” onderwijl naar achteren de zaal inlopend. Ik haat de man en het toneelspelen uit de grond van mijn hart. Maar toch zet hij door en overtuigt me ervan dat ik het zal kunnen. Na het optreden in de aula voor de verzamelde ouders besluit ik dat het meteen mijn laatste toneelspel is geweest.
Met Wolfgang Ondraçek ga ik vaak eropuit in de natuur, op woensdag- en zaterdagmiddagen. Op een dag ontdekken we in de sloot twee eendenkuikens. Hoe we ook kijken, moeder eend is nergens te bekennen. Er zit maar één ding op. De dieren, die zich makkelijk laten vangen, meenemen en zelf verzorgen. ‘In de natuur zouden ze maar gaan verkommeren’, denken we. Dus betreden we met kuiken in de zakdoek de slaapruimte. Het enige wat ik kan bedenken is de wasbak vullen met water, stop erin doen en kuiken in het water zetten. Maar verder dan dat kom ik niet. Er moet natuurlijk wel gestudeerd worden straks in de studeerzaal en gegeten in de refter. Tja, er zit niets anders op dan de kuikens maar weer mee te nemen en te droppen in moeder natuur en weer over te gaan tot de orde van de dag.
Heer Sanders geeft geen les op hageveld maar woont er wel. Al gauw bezoeken een aantal van ons regelmatig zijn kamer en hangen aan zijn lippen als hij vertelt. Hij heeft veel gereisd, geeft op de universiteit in Amsterdam college in Arabisch en Hebreeuws en houdt zich onder anderen bezig met de byzantijnse eredienst. Hij weet ons enthousiast te krijgen om hierin op te treden al misdienaar. Op een dag mogen we mee naar Den Haag waar hij de mis opdraagt in een Russisch Byzantijnse kapel aan de Raamweg. Er wordt gezongen door een Russisch koor met veel mannen stemmen. Communiceren gaat met brood en wijn zodat we en passant kennis maken met het fenomeen miswijn. Na afloop bezoeken we met zijn vijven het Panorama van Mesdag. Sanders kan uren vertellen terwijl wij ademloos luisteren. Ik geniet ervan om bij hem te zijn en te wandelen en te dienen in zijn erediensten. Aan tafel in de eetzaal gaat het minder goed. Ik heb de positie van theedominus bereikt en beheer de theepot. Op een middag na een wandeling door Haarlem met Sanders voel ik me aan tafel ineens misselijk worden en kots zonder voorafgaande waarschuwing de boel uit, een enorme ravage teweegbrengend. Ik word ook gepest door een eersteklasser die groter is dan ik en Karel heet. Hij houdt reptielen in een speciaal terrariumpje in de bibliotheek. Op een keer ben ik zo kwaad dat ik hem achterna ren en in het voorbijgaan een slag in het gezicht geef. Meteen zet ik het op een lopen zet. Enige tijd later komt hij verhaal halen maar gelukkig staat Gerard Straathof, mijn grote vriend en toeverlaat, dan naast me en neemt het voor me op.
Die eeuwige maaltijden met hetzelfde broodbeleg. Ik kan het menu vaak dagen van tevoren voorspellen. Vooral het voorjaar heeft zijn beperkingen. Links van de oprijlaan zijn akkers die voor het grootste deel beplant zijn met aardbeien. Als het oogsttijd is verschijnen er wekenlang niets anders dan aardbeien bij de avondmaaltijd. Ze komen op den duur mijn strot uit. Jarenlang zal ik niet zonder bijgedachten de Beatles hit “Strawberry fields for ever” aan kunnen horen. Steeds verschijnen bij het luisteren naar dit liedje de aardbei akkers en de dagelijkse aardbeireeksen op mijn netvlies.

1968
De derde klas. Opnieuw een rigoureuze verandering. We verhuizen naar de andere kant van het gebouw. Er zijn nieuwe begeleiders, Cor Backx en Piet de Reus. Vooral Cor Backx heeft nadrukkelijk zijn stempel gedrukt op mijn beleving. Een menslievende en geduldige man die zeer met mij begaan is. Het tijdperk van de puberteit breekt aan gelardeerd met vele grappen. Vaak geïnitieerd door Wim Roozen en Jan Uitendaal, die bij elke geslaagde grap uitroept “die vind ik goed, die schrijf ik op”. Of de oneliner na menige opmerking in willekeurige context “ja, dat zei mijn vriendin vannacht ook”, waarna het gelach weer losbarst. Mijn schoolprestaties glijden af dat jaar. Ik heb echter genoeg reserve om de vierde klas te halen. Inmiddels ben ik bevriend geraakt met Marcel Hoonhout die me onderricht in voetbal en basketbal. Eerst komt voetbal aan de beurt waarbij hijzelf de glansrol van Piet Keizer voor zijn rekening neemt, terwijl ik de sobere spits Inge Danielsson speel. Zo spelen we menig wedstrijdje op de cour tegen het tweemans Feijenoord van Wim van der Gun en Dick Welsink. Wim speelt de spits Öve Kindvall en Dick is Eddy Pieter Graafland. Ook basketbal komt aan de beurt, mede vanwege de aanwezigheid van een wedstrijdveldje met echte baskets. Urenlang staan we te dribbelen op dat veldje. Soms doen Gerard Straathof en Harry van de Rotte mee. We spelen twee tegen twee wat op het laatst zeer geroutineerd toegaat. Als Marcel de bal heeft loop ik de ruimte in omdat de aangooi toch wel komt. Bal aannemen, doordribbelen, één twee passen maken en dan afgooien op de basket. Zo verloopt het leven sociaal leuker dan ooit tevoren terwijl mijn cognitieve leerproces allengs minder en minder wordt. Een goede gewoonte op Hageveld zijn de op zaterdagavond gehouden culturele uren. Hierin wordt eenieder verplicht iets voor te dragen. Dit kan variëren van zingen, muziek maken, een toneelstuk spelen of een lezing houden. Ik besluit een lezing te houden over Willem van Oranje. Maar ik loop hier helemaal in vast omdat het te saai wordt en ik een enorme drempelvrees ken. Ik word na afloop geëvalueerd door Piet de Reus. Hij is nogal mild in zijn beschouwing. Sommige klasgenoten maken het zich wat makkelijker. Er is zelfs een popgroep die de laatste top40 hits ten gehore brengt. De gastheer vraagt met klem of het iets zachter mag.
Waar het precies vandaan komt weet niemand. Ineens is het er. Een storm raast over de derde en vierde klas. Waarschijnlijk heeft een van de leerkrachten het totale leerlingenbestand uitgeleverd aan een organisatie in Amerika voor correspondentievrienden. Het onwaarschijnlijke gebeurt. Niet één, niet twee, maar liefst drie penvriendinnen duiken als vreemde wezens in mijn leven op. Ze willen graag antwoord. ‘Een goede oefening in de engelse taal’, raadt mijn engelse leraar aan. Ik zit over mijn bureau gebogen en lees de lotgevallen van een 15-jarige Amerikaanse die luistert naar de naam Sharon. Een kleurenfoto is bijgevoegd. Kastanjebruin haar dat in een pony om haar gezicht valt. Felblauwe ogen, rode haarband. Een plaatje om te zien. Om het geheel te verlevendigen schrijft ze in geuren en kleuren dat ze verliefd is op een jongen van haar school. En hoe hij haar zoent. Aardige opening van een correspondentie. ‘Mijn god’, denk ik, ‘wat moet ik hier op antwoorden’. De dagelijkse gang van zaken op deze school? Ik besluit toch maar een antwoord te formuleren, en krijg nog antwoord terug ook. Ze blijkt ook zakelijker te kunnen corresponderen maar haar liefdes blijven op de achtergrond een rol spelen. Ik lees met graagte en begin te zwijmelen. Ze vraagt of ik een vriendin heb. Nee dus. Ik vertel iets over de achtergrond van deze school. Ik kom niet verder dan nuchtere opmerkingen. Maar in mijn fantasiewereld zie ik andere dingen. ‘Just you and me’. Liedjes op de radio krijgen een andere betekenis. Haar foto ligt in mijn bureaula. Als ik uiteindelijk schrijf dat ik meer voor haar ben gaan voelen, stopt de correspondentie abrupt. Ik ben weer terug op aarde. Met Jeanet en Roxanne hou ik de briefwisseling maar zakelijk en wissel ik wetenswaardigheden uit. Dit duurt nog het hele jaar en is leuk om te doen.
Tegen sinterklaastijd komt heer Backx ineens op het idee om iedereen sinterklaasgedichten te laten maken. De persoon over wie het gedicht gaat mag niet met naam of bijnaam genoemd worden. Aldus ontstaat een collectief spel ‘wie raadt de meeste gedichten goed’ dat een week lang duurt, gevolgd door een prijsvraag wie het subtielste gedicht heeft geschreven. Tot mijn stomme verbazing wordt het gedicht dat over mij gaat bekroond met de eerste prijs. Ik kan er ook na herhaalde lezing niets anders uit opmaken dan dat het handelt over een creatieve en zeer begaafde leerling.
1969
Vierde klas. Mijn interesses nemen af. Ik kan me nog maar met moeite concentreren en besteed de meeste aandacht aan de leukste vakken wiskunde en natuurkunde. Ongelukkigerwijs zit ik in de klas naast Arie Verhoeven, een jongen die goed kan leren maar de pen met zo’n geweld tegen het papier drukt dat zijn handschrift onleesbaar wordt. Daar kan ik dus niet uit spieken. Grieks wordt gegeven door een leerkracht die vers van school komt. De man heeft moeite om de orde in de lessen te handhaven. Tijdens een ontspannen les vlak voor de vakantie vertelt hij badinerend over de bijvakken van zijn eigen studie. Een van die vakken betrof pedagogie. Omstandig vertelt heer Wieberdink dat hij tijdens die les bij voorkeur shaggies draaide en moppen tapte. ‘Nou meneer’, repliceert Cees van Ophem, ’als ik U was dan had ik maar wat beter opgelet toen, dan had U nu niet zo’n moeite met ons gehad’. Het bijvak geschiedenis wordt verlevendigd door mijn klasgenoot Martien Schrama, die ongevraagd antwoord geeft op de door de leraar gebezigde uitspraak ‘zeg maar eens dat het niet zo is’. Moderne talen interesseert me steeds minder omdat dit neerkomt op vorm geven aan Nederlandse tekst en uit het hoofd leren van woordenlijsten. Ik mis de levendigheid in de taal zelf. Alleen engels kan me soms bekoren. Op een dag wordt een gedicht van John Keats besproken. “Ode on a Grecian urn”. Een tekening op een vaas is bijgevoegd. Een wulpse vrouw in schaarse kleren met een man ernaast. De dichter beschrijft dat de gedachte aan alles wat in de nabije toekomst ligt en aanlokkelijk lijkt, eeuwige vreugde zal geven. Het moment is bevroren in de tijd en het verlangen blijft dus eeuwig in de toekomst liggen. Mijn leraar vult in: de geliefde die je straks hoopt te ontmoeten, het liefdesspel dat je met haar hoopt te gaan spelen, het boek dat je wilt gaan lezen, de voetbalwedstrijd die je zeker weet te gaan winnen. Dagenlang blijft dit thema in mijn hoofd rondzingen. Wordt het leven dan toch nog interessant binnenkort? Het meest boeiend vind ik echter het door Cor Backx gegeven bijvak ‘omgangsvormen’. Een vak betreffende etiquette wat met zeer vrije hand gegeven wordt. Zo spreekt Cor Backx op lovende toon over de durf van de Praagse vrijheidsstrijders die zomaar voor de Russische tanks gaan zitten en behandelt hij vereenvoudigd de denkbeelden van Sartre, Camus en Kierkegaard. De mens blijkt gedoemd tot vrijheid. De mens mag vrijuit kiezen maar hij kiest juist met angst en beven. Kort en helder wordt een van Sartre’s toneelstukken beschreven waarin de hemel wordt voorgesteld als een kleine kamer waarin eeuwenlang niks bijzonders gebeurt. Een totaal nieuwe weergave. Boeiende materie. Voor de rest bestaat het leven uit lezen, luieren, sporten en gek doen. ‘Op zoek zijn naar mezelf’, zoals ik jaren later zal ontdekken. Druilerige woensdagmiddagen doorbrengen in patatzaak “Vita Nova” als het middageten wat is tegengevallen en men zich bij voedt in dit cafetaria. Lachen om die maffe weddenschap van Herman Albert Spiering die zich door Piet de Reus het hoofd laat kaal scheren en daarna de tegenprestatie ontvangt à f 25,- die door de gelegenheidskapper netjes op het kale hoofd wordt gedrapeerd. Proberen zelf een gedicht te schrijven in de studie-uren. ‘Ode aan de zee’. Ploeteren boven mijn studieboeken als de lenteavond lonkt. Eenmaal nemen Marcel en ik de wijk en blijven rondhangen op het gymnastiekveldje waar een turntoestel is blijven staan. We luieren in ons hemd liggend aan de voet van de brug met ongelijke leggers, de voeten omhoog gestoken en wisselen eindeloos van gedachten. Kan dit maar eeuwig duren.
Interessant is het om ’s avonds na het laatste studie uur te gaan grasduinen in de crypte waar naast allerlei altaren een bewaarplaats is voor hosties en miswijn. Stiekem kijken of het deurtje open te krijgen is en of er wat geconsumeerd kan worden. Inderdaad. De wijn smaakt niet eens lekker maar een beetje zurig. Ook besteed ik menig avonduurtje naast Joost Straathof die orgel oefent in de grote kapel. Ik mag naast hem op het orgelbankje plaatsnemen en af en toe een van de registers openen of sluiten. Ik ervaar het geweldige geluid dat het orgel produceert in deze grote ruimte. Als hij het zat is oppert Joost altijd het idee om de bombardon te openen. Dit register produceert een pruttelend geluid dat in de lage tonen het meeste weg heeft van een reusachtige scheet. Soms maken Wim en ik grappen over een van de medewerkers die helpen bij het tafeldekken en opruimen in de eetzaal. Hij heet Frans en werkt in zo’n razend tempo dat hij nooit tijd heeft voor een babbeltje. De ontmoeting verloopt steeds hetzelfde. ‘Dag Frans’. “Dag jongens, dag jongens, dag jongens”. (terwijl hij razendsnel doorgaat met tafeldekken). ‘Mooi weertje, vind je niet?’. “Niet altijd, niet altijd, niet altijd”.
Aan tafel gaat het minder voortvarend. Ik ben ingedeeld aan een tafel met jongens met kapsones die mij dollen met mijn stilheid. Ik ben niet erg tevreden over de tafelschikking en vat op zekere dag alle moed bij elkaar om te gaan protesteren bij Cor Backx. Ik kom helaas niet verder dan een eerste aanzet van mijn protest. Cor Backx laat mij echter plaats nemen en neemt mijn actie doodserieus en complimenteert me zelfs met de getoonde moed om bij hem te komen. Wel blijft de tafelindeling zoals die was en legt hij uit waarom dit is. Dat ik er sterker uit tevoorschijn zal komen. Ik verlaat de kamer met opluchting. Ik voel me gezien en serieus genomen. Een ander akkefietje voltrekt zich bij een retraite in de bossen van Santpoort. Ik ben in de gespreksgroep aangewezen als gespreksleider maar kom niet uit mijn woorden. Sterker nog, ik durf geen woord uit te brengen. Zelden voel ik me lulliger dan op dat moment. Pas later begrijp ik dat het een opzet geweest is van Cor Backx om mij uit mijn verlegenheid te helpen.
Het is Koninginnedag 1969. Marcel en ik besluiten op de fiets naar Amsterdam te gaan. Ajax speelt vandaag thuis tegen PSV. ‘Als we vroeg genoeg zijn kunnen we kaartjes kopen’, zegt Marcel. We fietsen als gekken langs de Aalsmeerse weilanden. Marcel weet feilloos de weg, want zijn ouders wonen in Amstelveen. Ruim op tijd komen we bij de loketten. Gelukkig zijn er nog kaartjes à fl 0,50 per stuk. We staan op de E-tribune, vlak achter het doel, maar PSV wint door twee doelpunten van Bengt Schmidt Hansen. Cruijff en Piet Keizer spelen mee. Na afloop als de wiedeweerga terug. We hebben nu wind tegen. Marcel wil nog even langs zijn ouders. Zijn vader stelt voor om ons een eindje weg te brengen, de fietsen in de achterbak van zijn auto. Zo gezegd, zo gedaan. Ruim op tijd zijn we terug in Heemstede.
Mijn priesterschapideaal is allang uit het zicht verdwenen. Maar ik moet er niet aan denken om hier weg te gaan en houd thuis wijselijk mijn mond over mijn veranderde ambities. Ik kan de kameraadschappelijke sfeer met mijn leeftijdgenoten niet meer missen. Het thuisgebeuren kan me gestolen worden. Ik geniet van het voetballen, het basketballen, de door Piet de Reus geregisseerde toneeluitvoeringen die regelmatig gehouden worden, en van de andere sociale activiteiten. De voorstellingen van Shakespeare’s Midzomernachtdroom en de Koopman van Venetië bezoek ik meerdere malen. Mijn rapporten zijn niet geweldig meer. Behalve wiskunde en natuur- en scheikunde heb ik alle vakken onvoldoende. Ik blijf daverend zitten. Mijn ouders besluiten om mij van school te halen. Zo eindigt abrupt een tijd die ik beschouw als de vier mooiste jaren van mijn jeugd. Nog jaren lang hou ik heimwee naar die voor mij zo veilige en vertrouwde omgeving.
Reünie 1993
Op de oprijlaan heerst een gezellige drukte. Scholieren fungeren als richtingaanwijzer voor binnenkomende automobilisten. Ik slenter door de oprijlaan achtervolgd door een blonde reünist. Hij is ongeveer van mijn leeftijd, maar zijn gezicht komt mij niet bekend voor. Ik speel met de gedachte mijn tempo te vertragen en naast hem te gaan lopen. Toch maar niet. Bij de grote vijver staat een leerling die monter vertelt dat we dit keer toch echt wel door de grote voordeur mogen. Ik zeg gekscherend tegen mijn achteroplopende buurman dat zoiets in mijn tijd ook best mogelijk was. Hij beaamt dat. Dan treed ik door de voordeur binnen. Er heerst een bedrijvige drukte. Ik word uitgenodigd om een entreebewijs te kopen a raison van 175 dubbeltjes. ‘Geen goedkope entree hier’, “ja maar de kwaliteit is goed hier”. Ik krijg een boekje met plattegrond en een kaartje waar ik mijn naam en begin- en eindjaar op moet schrijven. En twee consumptiebonnen. Dan schuif ik de hal in. Onwennig. Tien over drie. Geen bekenden. Een groot formaat boek wordt aangeboden met de geschiedenis van de school. Ik blader het langdurig door gretig op zoek naar bekende foto’s en bekende namen. Mijn jaar staat aangegeven op wat vroeger de kapel was, het heilige der heiligen. Nu speelt er gewoon een jazzorkest. Geen bekenden en geen bekende foto’s aan de muur. Alleen maar foto’s van leerlingen na mijn tijd. Ik laat mezelf langzaam uit de menigte wegglijden de hal in op zoek naar voorgaande jaargangen. Ik kijk in de diaprojector en ik kijk dia’s die titels en jaren dragen die mij bekend lijken. Dan verschijnt een markante kop in de deur. Ik kan de persoon meteen thuisbrengen trouwens de man naast hem ook Arie Vigelius, mijn god wat is dat een klein mannetje geworden. En dat nee maar, dat is Hans Deen. Alsof de tijd heeft stilgestaan. Het gesprek komt met moeite op gang. ‘Jij was die jongen die in de Nederlandse les een keer een compleet hoorspel in elkaar hebt gezet en dat op de bandrecorder liet horen’. “O ja. Daar weet ik helemaal niets meer van”. ‘Nou, mij staat het nog helder voor de geest’.
We wisselen gesignaleerde bekenden uit. Er zijn er nog een stel. Helaas niet diegenen waarvoor ik expliciet gekomen ben. Aan wie ik de meest warme en dierbare herinneringen bewaar. Waar was jij Marcel, grote voetballer, basketballer, mijn grote vertrouwenspersoon, en waar was jij Gerard, lange komische soms zo heerlijk cynische vriend die zo vaak naast mij liep, rondjes over de cour, waar was U heer Backx, die het speelse creatieve kind dat in mij huisde al doorhad ruim dertig jaar voordat ik het zelf door begon te krijgen, waar waren jullie Dick – flipper- en Willem – uiltje – onafscheidelijke kameraden en tegenspelers in menige Ajax – Feijenoord op de cour. Juist voor jullie had ik mijn schroom om te komen opzij gezet.
We lopen terug naar de grote zaal en ontmoeten Arie Verhoeven, nog geen spat veranderd. Een remake van de grote groffe jongen die het laatste jaar naast mij in de bank zat tijdens de les. Hij drukte de pen met zo’n kracht tegen het papier dat de punt regelmatig brak. Zijn handschrift was onontcijferbaar. Nog zie ik zijn grijpgrage handen zweven toen hij als zwarte piet verkleed eindelijk diegene te grazen mocht nemen aan wiens grote mond hij zich het hele jaar geërgerd had. Arie hield een schrift bij met alle top-veertig noteringen zoals die bij radio veronica bekend werden op zaterdagmiddag. Een bonte verzameling Beegees, Cats, Boudewijn de Groot, Beatles en Stones hits moet hij al met al in die tijd verzameld hebben. Nu staat hij voor me levensecht. Hij lacht als ik hem herinner aan zijn schrijfwijze. “Dat is nog steeds zo”. Ook de hitschriften herinnert hij zich. Verderop staan mijn vroegere dorpsgenoten Rob Giep en Paul de Beer. Nog steeds dezelfde koppen. Ton Peters herken ik eerst niet. Ik moet een kalend voorhoofd wegdenken en me zijn vroegere rol als bassist / gitarist inprenten. We praten over kinderen, banen en anderen die er niet zijn. Bijna allemaal hebben ze kinderen. Hans, kleine Arie en ik besluiten nog even een rondwandeling te gaan maken over de zolder, ‘net als toen, alleen toen mocht je er niet komen’, “ja die Piet de Reus die had je altijd feilloos door, net alsof hij wist dat je naar de verboden plekjes onderweg was”. We lopen de trap op. In de slaapzaal van de eerste en tweede klas is nu het restaurant van de zusters gevestigd. Een moderne eetzaal. We betreden de “herengang”, het woongebied van de docenten. Vroeger beperkt toegankelijk gebied. We slaan af door de zijdeur naar de trap. Boven is nog dezelfde sfeer als vroeger. Toen hageveld 150 jaar bestond is hier een groots feest gevierd. Nu heerst er rust. Stille voorwerpen herinneren aan vroegere tijden. De lichtval en de loopgangen zijn nog net zo als toen. ‘Hier droom ik nog wel eens van’, zegt Arie. Er komt iets ongekend kameraadschappelijks over ons drieën, alsof we deelgenoot zijn van een groot geheim dat verder niemand weet en dat met ons straks verloren zal gaan. De geur, het risicovolle. Niet alle plekken zijn op zolder even betrouwbaar. Net als op slecht ijs kun je misschien ergens doorheen zakken. Het blijft spannend ook na zo’n lange tijd nog. Ineens komen er beelden bij me op van de werkweek in de vierde klas in Vinkenveen. Arie, Hans, Marcel en ik zittend in een roeiboot op de Vinkenveense plassen. Terwijl Marcel en ik roeien moeten we gevieren de nieuwe Beatle song “Hey Jude” ten gehore brengen waarbij Arie vóór in de boot de gekke stemmetjes van John Lennon voor zijn rekening neemt. Arie wordt, al zingend, zo enthousiast dat hij de boot heen en weer laat deinen op het ritme van de muziek. Gelukkig slaat de boot niet om. We verbreken de spanning en gaan weer naar beneden. Hier was het kamertje van de engelse leraar Hans van Erk, die ons warempel net ook nog even de hand schudde. Hij geeft nog steeds les hier. Weer zie ik voor me hoe hij gewapend met bandrecorder de laatste les van het kwartaal het klaslokaal binnenkomt en teksten uitdeelt en zowaar de zojuist uitgekomen nieuwe elpee van de Beatles ten gehore brengt. The White Album. Fascinerende mooie muziek. Teksten die natuurlijk eerst vertaald moeten worden maar vooral mijn stomme verbazing: een leraar die ook van deze popmuziek houdt? Terug naar de begane grond. We komen ter hoogte van de vijfde en zesde klas en lopen door de vertrouwde gang. In het studielokaal voor de derde en vierde klas waar we zo hebben zitten zweten boven onze boeken of levensechte imitaties weggaven van studerende leerlingen terwijl we stripverhalen zaten te lezen, prijken nu een aantal pc’s. Verderop waar vroeger het biljard stond zijn ook leslokalen verschenen. “Hier werden vroeger pennywafels en andere koeken verkocht”. ‘Ja, wat een gevreet was dat altijd’. We lopen verder door de gang, kijken in het lokaaltje waar op die gedenkwaardige avond onder grote belangstelling Herman Albert Spiering is kaalgeschoren en lopen de nieuwbouw in. De lokalen liggen andersom vergeleken met vroeger. Verder is alles hetzelfde. Een blik op de cour. ‘Tijdens de winter van ’63 hebben we die onder water laten zetten’, vertelde een oudere student me zojuist, ‘we hebben er weken op kunnen schaatsen, het was een prachtige 500 meter baan’. Met een bocht komen we weer terug in de vleugel van de eerste en tweede klas. Aan een tafeltje in de hoek staan naast elkaar de gebroeders Ruigrok, basketbal fenomenen van weleer. Ik loop naar ze toe, schud ze de hand en zeg dat ik ze zo weer voor me zie, bezig op het basketbalveldje. Ze lijken niet verbaasd. ‘Het heeft wel indruk gemaakt. We horen het veel vanmiddag’. In het reünie lokaal bekijken we gezamenlijk nog wat dia’s. Op een daarvan ontwaar ik naast Hans in feestelijke uit krantenpapier gemaakte kleren zowaar Marcel. Hij glimlacht onder een papieren muts terwijl hij een papieren zwaard voor zich uitsteekt. Ik kijk om me heen. Het feest is nog in volle gang. Als Hans en Arie aanstalten maken om op te stappen stap ik mee en loop nog eenmaal de lange gang door. We schudden elkaar de hand. “Misschien tot ziens, tot over 25 jaar”. ‘Ja, wie weet.’ Ik loop naar mijn jas pak mijn tas, loop naar buiten over de oprijlaan en buig halverwege af en kom weer terug in de bewoonde wereld.
|
|
|
 |
 Gerard Reve
Boek | Gerard Reve
|
11 April 2006 | 22:46:03
 |
|
Gerard Reve (1923 - 2006)
"EIND GOED, AL GOED".
Mijn as wordt begraven op het kerkhof te Greonterp.
De mensen die komen kijken,
krijgen met onbekrompen maat te drinken,
de kinderen ook, dat staat geschreven.
Er komt een houten kruis, waarop te lezen valt:
GOD IS DE LIEFDE, verder niks.
Dan komt de harmonie, en speelt een lied,
langzaam en vroom, met veel koper.
Als er wel wolken maar geen wind is
wordt de hemel een sluier van stilte,
er daalt iets neer dat veel lijkt op geluk.
[uit: Gerard Reve, Nader tot U, Amsterdam 1966] |
|
|
 |
 herinneringen
Taal/Column | het saaie bussumse leven
|
07 April 2006 | 23:42:37
 |
Ik kom terecht in IV gymnasium 2, een klas waarin ik niemand ken. Het duurt weken voor ik aansluiting vind met mijn medeklasgenoten. Ik zit in het lokaal naast Paulien, een klein meisje, enigszins poppig gekleed, dat zich voortdurend omdraait in de bank en spreekt en giechelt met de twee achter mij zittende jongens. Pas na weken loop ik in de pauze op het schoolplein Herman tegen het lijf. Een potsierlijke vriendschap ontstaat. Algauw ben ik bij hem thuis en ontmoet zijn ouders en zus en maak kennis met zijn rijke ideeën en fantasieën. Ik vind hem leuk en lach me suf om zijn grappen, woordspelingen en practical jokes. Hij wijdt mij in in de beginselen van de fotografie en troont me mee naar een ruimte onder de plaatselijke fotoshop waar we onder betaling van een gering bedrag een uur lang foto’s mogen ontwikkelen en afdrukken. Ook maak ik kennis met zijn voorliefde voor literatuur. Vooral Gerard Reve’s “De Avonden” heb ik in die tijd verslonden. Samen met Herman zit ik op de achterste bank en luister naar zijn grappen. Op een dag steekt hij met de punt van zijn passer in het rubber van zijn pennenetui en roept halfluid tegen mij “Iek bien ein uitfeunder, Iek heb gummi angeboord”. Een daverend lachsaldo is mijn antwoord. De leraar Duits kan het maar matig waarderen en verzoekt me het lokaal te verlaten. Op een andere keer wordt Herman zelf gesommeerd te verdwijnen met achterlating van zijn boekentas. Herman pakt echter na ampele aarzeling zijn tas toch van de grond en verdwijnt uit de klas, de protesterende leraar negerend met de opmerking “meneer, mijn tas en ik zijn onafscheidelijk”.
Mijn ouders dringen erop aan dat ik op dansles ga samen met mijn zus. Zelf hebben zij elkaar bij zo’n gelegenheid ontmoet en vermoedelijk fantaseren ze dat ons hetzelfde zal gebeuren. Mijn zus vindt meteen aansluiting maar ik stuntel en scharrel vooral die eerste weken als een ware beginneling. Als ik met mooiere meisjes uit de cursus dans weet ik meestal geen woord uit te brengen, met de kneuzen en minder mooien is er sprake van een haperend gesprek. Vooral het einde van de dansles boezemt mij ware angst in. De cursusleidster verzoekt de heren om even de mantel van de dame te gaan halen zodat de dames de laatste dans in hun buitenkleding uitvoeren. Niet zelden versta ik het nummer van de garderobehaak waarop de jas van mijn danspartner moet hangen verkeerd en kom ik met een totaal andere of zelfs met helemaal geen jas binnen en kan ik nog een keer terug. Eén keer haal ik het einde van de dans niet eens maar blijf ronddwalen in de garderobe. Gelukkig hoef ik de betrokkene niet naar huis te begeleiden. Ik zou niet weten wat ik onderweg zou moeten zeggen. Quickstep, engelse wals, tango, ik ken de beginselen na een jaar redelijk en mag op voor het behalen van de eindtest, de bronzen speld. Ik ben terechtgekomen bij een meisje dat bij mij op school zit, zij het een klas hoger dan ik en luistert naar de naam Dorien. Al na een aantal keren zijn we uitgesproken. Ze heeft iets saais en moederachtigs over zich. We kussen elkaar onder de mistletoe met kerstmis en ik proef de oerzoete smaak van d’r gestifte lippen. Is dat nu wat mijn ouders voor ogen hadden, denk ik.
Op school gaat het inmiddels beter. Het eerste klassenfeest nadert. Een nieuw fenomeen. Algauw wordt duidelijk dat er gedanst gaat worden en dat er spanning is. ‘Wie met wie’. De keuze is niet ingewikkeld: er blijft slechts één dame over, de kleine brildragende Victoire. Gelukkig heb ik al een paar danslessen achter de rug. Rolling Stones muziek klinkt op uit de grote boxen achter in de garage van de familie Kuijpers. ‘Honky Tonk Woman’. Daarna volgt echter het amoureuzere ‘Je t’aime’ met het hese geile gehijg van Jane Birkin. Iedereen vlijt zich gemoedelijk tegen zijn danspartner aan. Ik doe dat ook maar, maar niet van harte. Het gebeurt min of meer werktuigelijk. Toch heb ik intussen heimelijk een meisje gevonden dat ik leuker vind maar juist die schijnt schier onbereikbaar. Vera zit op de eerste bank naast haar vriendin Lida en schudt slechts af en toe het haar dat schuin in haar gezicht valt weg. Ineens zit ze tegenover me in de tekenles. “Het is de bedoeling”, zegt de leraar, “om elkaars gezicht te tekenen met potlood en zo goed mogelijk je best te doen om het echt te laten lijken”. Ik moet Vera dus een uur lang voortdurend aankijken. Nu pas ontdek ik de contouren van haar gezicht en ik ontwaar een vleug van verlegenheid iedere keer als ik haar aankijk. Mijn tekening lijkt wonderwel. Ze heeft mij minder treffend geportretteerd. De symmetrie is weg in mijn gelaat en alles is slechts flinterdun en weifelend neergezet. Mijn liefde is gewekt en zal een tijdlang heimelijk voortduren. Ze taalt niet naar me, maar bemoeit zich slechts met haar frêle buurvrouw.
De dansles nadert zijn voltooiing. Met Dorien slaag ik erin de bronzen speld te bemachtigen. Na afloop van de contest is er gelegenheid tot vrij dansen. Louis, mijn buurman in de klas die op dezelfde cursus zit maar op een andere avond, inviteert Dorien en ik stap aarzelend toe op het meisje waarmee Louis zojuist heeft afgedanst. Ze zit in de derde klas en luistert naar de naam Liesbeth. Al weken lang zie ik haar lopen in de middagpauze met haar onafscheidelijke vriendin. Ze heeft krullende haren die tot aan haar middel reiken en heeft twee fascinerende gekromde benen onder een bevallig smal lijf. Twee donkere ogen kijken mij tussen dit krullend geweld vriendelijk aan als ik haar ten dans vraag. Ze draagt een klokrok die met een hengsel om haar schouder is bevestigd. Ik maak een buiging en zowaar ze wil. Ik dans met haar weg terwijl ik mijn hand op haar rug leg en het hengsel tegen mijn hand voel bewegen bij elke draai. Een aarzelend aftastend gesprek volgt. Ik ben blij als de muziek is afgelopen en tegelijk wil ik eeuwig met haar doordansen. Als we elkaar in de weken erna tegenkomen in de gang op school groeten we allebei tegelijk naar elkaar. Maar daar blijft het bij.
Terug naar huis. Ik breng de meeste tijd door in mijn studeerkamer, mijn benen in de winterkou gespreid over een straalkacheltje dat slechts incidenteel aanmag vanwege de hoge elektriciteitskosten. In de zomer verpoos ik me met de plaatselijke honkbalclub, Bussums trots HCAW. Ieder weekeinde maak ik één thuiswedstrijd mee. Herman en ik zitten recht achter de thuisplaat en roepen aanmoedigingsleuzen. Herman roept één keer uit balorigheid, als de landskampioen Haarlem Nicols op bezoek komt en de pitcher Herman Beidschat zich voorbereidt op de volgende aangooi “er is telefoon voor meneer Beidschat”. Daverend gelach om ons heen klinkt op. De grap is zo leuk dat hij iedere week door iemand anders herhaald wordt.
Af en toe worden schimpscheuten gemaakt op de Bussumse werper Ade Fijth. Soms kan hij de richting van zijn worpen niet onder controle krijgen en wordt dan door het kritische Bussumse publiek bestempeld met de bijnaam Ade Wijd. “En hoe gooide Ade vanmiddag”, ‘Als een natte krant’. Toch is hetzelfde publiek bij het geringste succes in alle staten en klimt desnoods hoog in de vanghekken om het behaalde resultaat mee te vieren.
Op een middag sta ik naast de heer Jansen die in gesprek is met Bertus, de geestelijk gehandicapte die met zijn driewieler door Bussum rijdt en iedere thuiswedstrijd nadrukkelijk aanwezig is. De heer Jansen maakt aldoor grapjes die Bertus soms schuimbekkend met het hoofd zwaaiend beantwoordt vanaf zijn driewieler totdat de heer Jansen het te kwaad krijgt en op luide toon uitroept “Ja ja Bertus, jíj lacht, maar mijn broek is nat”.
Er komt muziek in mijn leven. Herman verschijnt met platen van Chicago en de eerste elpee van Led Zeppelin die ik van hem mag lenen. Ik beluister beide platen intensief op de zondagmiddagen als iedereen het huis uit is. Ik blijk heel wat in te halen te hebben op muziekgebied. Algauw wordt de collectie uitgebreid met Pink Floyd’s tweede “A saucerful of secrets” en Led zeppelin III. We ontdekken de mogelijkheden van de plaatselijke platenboer ‘King Peter’ in de Kapelstraat, die een aparte muziekbox heeft met geluiddichte wanden. Menig zaterdag ben ik er te vinden en grasduin door de bakken met popmuziek. Jimmy Hendrix, Bob Dylan, Neil Young, Iron Butterfly (‘In A Gadda da Vida’) en een engelse groep die luistert naar de naam Collosseum en een plaatkant vol muziek aflevert genaamd ‘Valentine Suite’ klinken prachtig in deze geluiddichte box.
.jpg)
IV 2 in 1970. Vlnr Laurien Ngui, Pierre Nijnens, Yvonne Poort, (half verscholen) Hans Burg, Louis Kuipers, Marc van Ravens, Herman van Kent, Huub Dupuit. Christine Calis, Kees Bulting, Paulien Angenent, Henny Sturkenboom, Michiel Witteveen, Lidwien Michiels von Kessenich, Lida Fokker, Bartho Hendriks, Vera van Gulik. (ontbrekend: Victoire Schoonejans, William Recker, Kees Eitjes, Robert Smulders)
Donderdagochtend. Het derde en vierde uur hebben we oude geschiedenis van meneer Beekelaar, de conrector. Het is een speciaal moment in de week. We zitten in een ander lokaal waarbij de tafels aan elkaar geschoven zijn zodat Herman en ik ineens naast Yvonne en Laurien aan dezelfde tafel zitten. Het is tijd voor geforceerde grappen door Herman geroutineerd opgestart maar door mij levendig gevoed. Laurien is het mooiste meisje van de klas en dus onbereikbaar voor ons daarom richten we ons maar op Yvonne. Echter hoe hard we ook geinen, Laurien lacht het hardst om onze humor. Van de gedebiteerde lesstof blijft weinig hangen. Het is extra spannend want heer Beekelaar is tamelijk streng dus, o wee als duidelijk wordt dat we onze aandacht er niet bijhebben. Om een of andere reden maakt dit het alleen maar interessanter om door te gaan. Talloze donderdagochtenden gaan hiermee heen.
Ik verzeil achter in de klas bij het raam eerst naast Louis en algauw naast Kees. Kees komt uit Laren en rijdt op een heuse yamahabrommer. Algauw rijdt hij op zijn brommer naast me mee naar mijn huis en maken we gezamenlijk huiswerk in mijn kamer. Kees houdt van dingen uitvoerig bestuderen en op een keer zijn we bezig met een ontdekkingsreis in de ingewanden van mijn radio als ineens de stroom in huis uitvalt. Ik heb per ongeluk met mijn schroevendraaier beide polen van de inkomende spanning aangeraakt. Een steekvlam en geknetter is het gevolg. Ik schrik me rot maar Kees raakt niet over het elektrocutie verschijnsel uitgesproken. Ook haalt hij in de achtertuin regelmatig de carburateur van zijn brommer uit elkaar en toont me de werking van de diverse onderdelen. Interessante lessen die van pas komen als de berini van mijn zuster begint te haperen en we met de staalborstel de parels uit de bougie wegschuren. Als we naar zijn huis rijden, Kees op de brommer en ik achterop, scheuren we met een bloedgang het Laarder hoog af. Op de kilometer teller prijkt een stand van 80 kilometer. Het is des te spannender omdat Kees het fietspad negeert en gewoon op de weg rijdt die is voorzien van kleine dwars ingelegde bakstenen. Gezamenlijk lezen we de tien vrolijke verhalen van Gerard Reve. We besluiten dat ik het eerste verhaal ‘lezing op het land’ zal voorlezen voor de microfoon van zijn bandrecorder terwijl hij op de achtergrond in de kamer begeleidende muziek zal spelen. Als ik een eind gevorderd ben met het voorlezen hoor ik ineens Kees’ lallende stem op de achtergrond terwijl hij op een soort trommel slaat. Ik kan mijn lachen niet houden en dus moet de opname overnieuw. Gezellige bijeenkomsten in de Larense woonwijk die slechts onderbroken worden omdat ik hals over kop terug moet naar mijn eigen huis.
Met sinterklaas neem ik zoetjes wraak voor mijn schampere dansprestaties. Iedereen moet een surprise maken voor een cursusgenoot. Ik trek een vrij onbekende maar zeer dansgrage vrouw, die ik verblijd met de houten massieve speelgoedboot van mijn broer die al jarenlang onaangeroerd in mijn kamer ligt. Om het geheel te bemoeilijken plaats ik het cadeautje in het vooronder van het schip en lijm de boel stevig dicht zodat de betrokkene minutenlang staat te wurmen en hannesen in het midden van de kring en ik uiteindelijk maar besluit een handje toe te steken. Hiermee heb ik de herkomst van de surprise echter verraden en moet ik na afloop van de plechtigheid bij sinterklaas verschijnen en word als beloning stevig gezoend door één van zijn vrouwelijke pieten. Meteen daarna is er jassendans en dans ik met degene die ik zojuist heb verblijd met mijn surprise. Ze kan er wel om lachen.
We gaan naar Texel met vakantie met zijn vijven. Kees, Herman, Clemens, Hans en ik. De andere vier gaan op de brommer, ik ga met de ouders van Herman in de auto met de tent en met het kookgerei. Onderweg drukt Herman’s moeder me op het hart om toch vooral een oogje in het zeil te houden omdat ik de oudste van het stel ben. Ik beloof het tenslotte omdat ze zo aanhoudt. Tegelijk weet ik niet hoe ik dat zal gaan doen. Het tent opzetten is een heel project. Uiteindelijk lukt het op de hoek van het veldje ergens midden op de camping. We krijgen hulp van een Amsterdamse die daar met man en kinderen staat en in plat Amsterdams aanwijzingen geeft hoe we moeten manoeuvreren met de tent en de haringen. We hebben ineens een riant huisje met twee heuse slaapcompartimenten. Kees gaat nog even wat sleutelen aan zijn brommer en besluit nadat alles is schoongemaakt en weer in elkaar geschroefd en proefritje te maken richting Den Burg. Bij de eerste de beste kruising wordt hij aangereden door een van de zijkant komende brommer, slingert van zijn eigen brommer en belandt ergens in de berm. De brommer is flink beschadigd en Kees zal de rest van de vakantie hinkend en in het verband lopend moeten doorbrengen. De vakantie gaat onverminderd voort. Vlak buiten de tent liggen de restanten van wat eens een brommer was te wachten op de schadetaxateur die nog moet komen. In de loop der dagen wordt er van alles bij gestapeld, etenswaar, lectuur, zonnebrandolie, zodat een bonte stapel gebruiksvoorwerpen ontstaat. ’s Avonds als we de slaap niet meteen kunnen vatten vertolken we sprookjes in één van de twee slaaptenten. Het meest populair zijn de verhalen van de koekoek en de olifant. Herman vertolkt de koekoek (met samengevouwen handen voor de mond) en Kees doet de olifant met getuite lippen en bolle wangen. Totdat op zekere nacht de Amsterdamse buurvrouw roept of het nu uit kan zijn met dat lawaai. We houden er mee op, maar niet nadat Kees hardop zijn beklag heeft gedaan over die ‘klepzeiker van hiernaast’, daarbij vergetend dat het tentzeil niet geluiddicht is. De vrouw kijkt ons de rest van de vakantie niet meer aan.
We besluiten een bezoek te brengen aan het concert dat de Nederlandse popgroep Focus geeft in de Burgse theaterschuur Sarrasani. Gezamenlijk op onze brommers reizen we af. Ik raak onder de indruk van de muziek die al vooraf uit de reusachtige luidsprekers klinkt. Het blijkt ‘Sympathy for the devil’ van de zojuist verschenen elpee van de Stones te zijn. Daarna beginnen Thijs van Leer en Jan Akkerman hun muziek de schuur in te spelen. We liggen lui op de grond en laten het over ons heen komen. Na afloop praten we na in de tent van een mede kampeergenoot, een Utrechter met een plat Utrechts stemgeluid. Het onderkomen bevat een draagbare pick-up op batterijen echter er zijn slechts drie elpees beschikbaar. ‘Sergeant Pepper’ van de Beatles, Cuby’s ‘Appleknockers Flophouse’ en Led Zeppelin II. Het merendeel van de aanwezigen blijkt gecharmeerd van Cuby die dan ook grijs wordt gedraaid. Drie meisjes houden zich op de achtergrond. Één papt weldra aan met Clemens, één van de twee anderen kijkt af en toe mijn kant uit maar tot een toenadering komt het niet. Het blijft bij onuitgesproken hunkering.
Huize Kuijpers, het eerste huis aan het begin van de Oranjelaan. Een grote vrijstaande villa met een lap grond eromheen waar van alles gebeurt. Een tuin, een grasveld, een garage, een eendenvijver. Één van de eenden maakt een sissend geluid bij het waggelend lopen en wordt door Kees plastisch de ‘gaseend’ genoemd. Meer dan 25 jaar later zal het complex door Mariëlle, de vriendin van Louis’ zus Maria, liefkozend in een afscheidstoespraak ‘Villa Kakelbont’ worden genoemd. Vrijheid is troef hier. Er mag van alles, als het maar niet téveel de spuigaten uitloopt. Menig vrijgevallen tussenuurtje op school breng ik er door.
De verjaardag van Louis valt in januari en wordt uitgebreid gevierd. Omdat in huize Kuijpers nu eenmaal veel meer kan dan in andere gezinnen besluiten we de hele nacht te blijven. Vader en moeder vinden het wel best en hoeven de bijeenkomst niet eens mee te maken. We praten en lachen de hele nacht boven in de Louis’ kamer vlak onder het dak en luisteren naar de nieuwe Focus elpee en naar een melodieuze Engelse popgroep waarvan Louis de muziek heeft opgenomen op zijn bandrecorder, ‘Fragile’ van Yes. Vooral het beginnummer ‘Roundabout’ is lyrisch en wordt telkens herhaald. Slaapdronken spoed ik me in de vroege zondagochtend naar huis.
Mijn broer en ik oefenen ons in de honkbalsport. Hij zit in een jeugdteam en samen bedenken we dat het wel nuttig is als we wat oefenen in het aangooien en slaan van de bal. Omdat het een eind lopen is naar een goed oefenveld besluiten we voor het gemak maar wat batpractice te houden in de ouderlijke tuin. Erik staat bij de schuur terwijl ik vlak voor de woonkamer met de knuppel heen en weer zwaai. Een heel arsenaal aangooien wordt uitgeprobeerd alsof het een echt honkbalwedstrijd is. Bij de zoveelste aangooi mis ik compleet en de bal verdwijnt met een rotklap door het grote raam de woonkamer binnen. Het spel is met een schrik ten einde gekomen. mijn ouders die later thuiskomen kunnen er wel om lachen en zijn niet eens zo kwaad als ik vooraf vermoed had.
Ik beland in het tweede jaar van de dansles. Opnieuw wordt er getangoed, gequickstepped en gepasodobled. Ditmaal in Eltheto, een zaaltje achter de kerk op de huizerweg. Met Ignace bezoek ik de vrijdagavondcursussen. Een van onze medecursisten zit een klas hoger dan wij en zwiert als een ware professional over de dansvloer. Zijn elegantie en zijn jovialiteit maken grote indruk op me. Hij heet Giovanni en is hoewel hij een klas hoger zit bereid om in de pauze een woordje met me te wisselen. Dat maakt nog het meeste indruk op me. Ik ken hem uit de pauzes op de school als de jongen die in sneltreinvaart langs de rijen wandelende leerlingen zoeft alsof hij bezig is met een marathon. het lijkt onmogelijk om hem tijdens zo'n wandelin bij te houden. Hij blijkt net als ik bezeten van honkbal en op een keer gooien we tijdens de thuiswedstrijd van HCAW een balletje.
Algauw ontdekken Ignace en ik dat één verdieping lager zich heel andere maar niet minder interessante dingen afspelen. Er worden luisteravonden gehouden waar muziek van onder anderen Pink Floyd, The Soft Machine en Jimi Hendrix ten gehore worden gebracht. De bezoekers zitten of liggen in stilte op de grond en kunnen zich laten inspireren door de op het plafond geprojecteerde vloeistofbewegingen. De muziek is zo hard dat met elkaar converseren niet goed mogelijk is. Elke handeling of beweging wordt in uiterste traagheid uitgevoerd. Twee totaal verschillende werelden ontmoeten elkaar in dit kleine gebouwtje. Op een avond besluiten Ignace en ik ons bij wijze van uitzondering in gewone kledij te voegen tussen de muziekluisteraars en worden we enigszins verbouwereerd aangekeken door de stijldansers die in colberts en dansoutfit naar de lessen gaan. De week erop zijn we weer gewoon op de dansles van de partij. Zo herhalen we dit een aantal weken. De combinatie fascineert me.
Er wordt een natuurkundige tentoonstelling gehouden op school met door de leerlingen zelf gebouwde experimenten en proefopstellingen. Kees en ik staan aan een aparte tafel waarop een heuse ‘perpetuum mobile’ is opgesteld. Volgens ons beider zeggen, Kees iets meer dan mij, gaat het ronddraaiend wieltje eeuwig door, wat er ook gebeurt. Er zijn een aantal kritische bezoekers die niet geloven wat wij zo stellig beweren. In werkelijkheid wordt de draaiing van het wieltje veroorzaakt door een motortje onder de tafel dat gevoed wordt door alcohol. Halverwege de bijeenkomst raakt het alcoholreservoir leeg dus moet er worden bijgevuld. Kees vindt het niet nodig om het motortje uit te zetten en vult gewoon bij vanuit de grote schenkfles. Een onverwachte beweging volgt en een steekvlam is het resultaat. Ignace, die al eens eerder heeft gehamerd op de brandveiligheid van de school ziet zijn kans schoon, rukt een blusapparaat van de muur en begint meteen door de aula te spuiten. Binnen een mum van tijd staat de aula vol met een zuur ruikende damp die maar niet wil vervloeien. Het is het beste de deuren te openen en de gasten naar buiten te geleiden. De bijeenkomst schijnt ineens afgelopen.
We zijn in de ban geraakt van de scheikunde lessen. Er is tijdens de lessen ruimte voor proeven die in een zuurkast moeten worden uitgevoerd. We vormen een groep met Kees, Herman en ik. Zonder de literatuur te raadplegen spoeden we ons reeds in de eerste les richting zuurkast om meteen te gaan oefenen met de materie. Kees duikt in de encyclopedie de formule van het nogal knallerige nitroglycerine. Als hij deze stof thuis formeert en er ‘per ongeluk’ de asbakken van zijn moeder mee vult, schrikt deze zich bij het ochtendlijke stofzuigen een hoedje.
Wiskunde wordt gegeven door de heer Wortel. Blond haar dat breedgekruld om het hoofd zit, een nasale stem en veel filtersigaretten. Hij houdt ervan om langdurig over zijn sommen te ‘filosoferen’. Als de klas uitgelaten is door de inspanningen van een voorgaand uur, doorbreekt hij het rumoer aan het begin van zijn les door met een grote houten liniaal keihard op de voorste bank te slaan onder het uitroepen van de kreet “en nu stil…….”. Dit werkt altijd meteen. voorafgaand in de les is er vaak ruimte om over allerlei actuele zaken van gedachten te wisselen. deze gelegenheid wordt met beide handen door de meeste van mijn klasgenoten aangegrepen.
Biologie wordt gegeven door de heer van den Berg. Een zeer lichamelijk vak. We krijgen een demonstratie ‘tegen de zwaartekracht in drinken’ als een van mijn klasgenoten op zijn handen staande een glas water tot zich neemt. De meester leidt het onderwerp ‘het strottenhoofd’ wel erg plastisch in. Met een breed gebaar pakt hij zichzelf bij de keel en zet een halve verwurging in. Als Clemens het diaprojectieapparaat voorafgaand aan een les laat in- en uitzoomen meer uit verveling dan uit functionaliteit slaat bij Joost die achter in de banken zit het grote besef toe. “Heee, te gek”, roept hij met lijzige stem als het beeld beurtelings scherp stelt en weer wazig wordt. “Dit kan oooook”. Bij het determineren van bloemen mogen we over de vensterbank springen en in de een halve verdieping lager gelegen schooltuin zelf wat planten gaan verzamelen.
Sportdag. Er wordt door de gymleerkrachten geselecteerd voor twee volleybalteams die het moeten opnemen tegen de twee teams van de Amersfoortse school waartegen we spelen. Herman en ik besluiten mee te doen bij de try-out. We worden beiden afgetest. In het andere gymnastieklokaal wordt ondertussen geselecteerd voor basketbal. Ze komen twee spelers tekort. Herman en ik melden ons aan. Als we inschieten gooi ik een bal vanaf de middellijn recht in de basket. Ik probeer de break-outs die ik in Heemstede gewend was en ja hoor ze lopen allemaal gesmeerd. In de testwedstrijd staat er iemand achter in mijn team die precies de ballen gooit die Marcel in Heemststede zo vaak naar mij gooide tijdens die talloze trainingspartijtjes. Ik word na afloop direct geselecteerd voor het eerste team. Ik moet meteen meespelen. Er hoeft niet eens meer getraind te worden.
Bezinningsdagen. We gaan met een groepje naar de abdij in Doetinchem om daar enkele dagen te vertoeven. De stilte werkt op me in en ik kom onder de indruk van de eenvoud van de broeders. Één van de paters is onze gastheer en houdt gesprekken met ons in de koffiekamer. Onder anderen over de zin van het leven. Waarom is er tegenslag en verdriet. Wat heeft dat voor nut. De pater oppert middenin het gesprek dat de hoogtepunten in een mensenleven alleen zin hebben als de dieptepunten er ook zijn. Een totaal nieuwe gedachte. Hoe mediteer je als je zoals ik niet zoveel meer op hebt met het rooms-katholieke geloof. Meditatie kan ook door in de natuur stil te staan bij een koe die zo’n prachtige schijtbeweging maakt en door daar luidruchtig op te wijzen. Of door het luisteren naar zelfmeegebrachte banden met popmuziek.
Vooral dat laatste. Soms op het einde van een kwartaal mag er muziek gespeeld worden op de bandrecorder in de Engelse les. Zo maak ik kennis met de vierde Velvet Underground elpee die Patrick op een band mee heeft genomen. In het langste nummer zingen Lou Reed en Maureen Tucker de coupletten tegen elkaar in. De muziek neemt een steeds dreigender en snellere vorm aan tot alles ineenvalt in een lang aangehouden met kracht uitgevoerd pianostuk. Het blijft de hele dag in mijn hoofd hangen. De Engelse leraar heet Speekenbrink en is een fenomeen op de school. Hij is idolaat van moderne Amerikaanse en Engelse literatuur en probeert die tijdens de lessen vaak enthousiast bij ons aan de man te brengen. Omdat hij een ietwat nasaal stemgeluid gebruikt is dit in de pauzes en na de lessen rijp voor imitaties, waarbij de neusholte met de duim en de wijsvinger half moet worden toegeknepen. Vooral namen als ‘Evelyn Waugh’, ‘Aldous Huxley’ en boektitels als ‘Brave New World’ en ‘Room at the top’ komen op die manier goed uit de verf.
Ik raak bevriend met Paul een jongen die ik nog ken van mijn vorige school. Gezellig woonhuis in het spiegel. Paul’s broer Frans heeft een drumstel neergezet in de nok van het huis waar ik soms op mag trommelen. Ik zet een koptelefoon op met muziek van the Grateful Dead of Steve Miller en drum zo goed als ik kan op de maat van de muziek mee. We schaken meestal wat of luisteren naar muziek in Paul’s in Indiase stijl ingerichte kamer. Of buigen ons over elektronische versterkers en geluidsboxen die hij zelf ontwerpt. Zo verglijden vele weekeinden. Ik waan me in een oosters paradijs. Zondagmiddag spelen we spelletjes met het hele gezin in de huiskamer. Moeder is het feestelijk middelpunt en zet limonade en bier op tafel. Regelmatig vraagt ze of ik blijf mee-eten. Ik wimpel het af. Ik ben bang dat ik dan nooit meer weg zal komen uit deze knusse omgeving. Soms bots ik in het trappenhuis op de zus die ik het leukste vind. Bernadette met het hardnekkig krullende haar. Ze gaat de herderhond uitlaten die al wild kwispelend achter d’r aanloopt. Klein, mollig en bij voorkeur gekleed in kaftan of oosters gewaad. Er klinken filosofische teksten uit d’r mond. Ze denkt serieus over de dingen des levens na. Soms stoeit ze met Paul in de achtertuin terwijl de hond woest blaffend om hen heen loopt.
Eindexamen feest in de villa van de familie Kuijpers. Een groots gebeuren waarbij drank, eten noch moeite gespaard is. Het feest duurt tot diep in de nacht. Absoluut hoogtepunt van de nacht is de spontane joyride rit van de twee jongste broers van Louis met papa’s auto. Maurits, de nakomer, is slechts 4 jaar en moet door zijn veel oudere broertje worden geholpen omdat hij niet tegelijk kan sturen en met zijn voeten bij de pedalen kan komen. Hier en daar is de carrosserie ietwat beschadigd maar voor de rest valt het mee. Ze zijn er gelukkig niet in geslaagd het terrein af te komen.
Kees besluit op vakantie te gaan met Louis en de familie Kuijpers. Ze gaan met een bestelbus naar zuid polen. Een groot gedeelte van de vakantie gaat op aan sightseeing van de Poolse cultuur. Door Kees nadien plastisch samengevat met “kerkje in, kerkje uit’. Ook veel bergwandelingen staan op het programma. Ik ontvang een ansichtkaart in de typische Kees stijl. “Let vooral op de fraaie postzegel. Ik hoop dat ze in de smaak valt van je filatelistenverzameling want om aan het geld te komen voor deze zegel moest ik de huid verkopen van een beer die ik hier geschoten heb”.
En dan vertrekt het hele gezelschap richting Eindhoven en Wageningen. De Technische Hogeschool en de Landbouw Hogeschool aldaar. De verbinding valt langzaam uit elkaar, een enkele reüniebijeenkomst in huize Kuijpers daargelaten. Het ‘saaie Bussumse leven’ lijkt voorgoed voorbij. |
|
|
|
|
|